Viering: Geloof en rede, het eeuwige vraagstuk

Kaart wordt geladen...

Datum/Tijd
Datum - 11/05/2019
18:30 - 19:30

Locatie
Ontmoetingskerk

Categorieën


Voorgangster: Mevrouw Ds. Tineke Werner.

Vrij naar Terry Pratchett.
Uit de overpeinzingen van Allemachtig – Lovenswaardig – Zijt – Gij – Die – Om – Verheerlijkt Haversmit.

“Na vier jaar theologische studie was hij lang niet zeker van wat hij geloofde.

Dat kwam vooral omdat hij had gehoopt dat god zich voor één keertje aan hem kenbaar zou maken op een duidelijke onmiskenbare manier die je niet kon verwarren met alcohol of een kwaad geweten. Voor één keertje zou hij willen dat de wolken tien tellen uiteen weken en dat een stem dan zou uitroepen: Het is allemaal waar!

Niet dat hij gebrek aan geloofsvertrouwen had, maar geloofsvertrouwen was niet genoeg. Hij had kennis gewild….” Hij had kennis gevonden en de kennis had niet geholpen. Had niet ooit een profeet de Leviathan zover gekregen om zich op de kust te werpen en de zee rood te kleuren van bloed? En of hij dat had. En hij geloofde dat volkomen. Maar een deel van hem kon niet vergeten ooit gelezen te hebben over die piepkleine wezentjes die oorzaak waren van die rode vloeden voor de kust en het kennelijk effect daarvan op de plaatselijke zeefauna. Dat had hem ….. aan het peinzen gezet….”

Allemachtig Haversmit, een papieren mens, een romanfiguur. Maar datgene waar hij over peinst en piekert is ook voor levende mensen herkenbaar: Wat of wie is God?

Komt alles van God of is er een andere oorzaak?

God…

Lang was God degene die alles bestierde wat mensen niet wisten, niet konden.

Water en wind, donder en bliksem deden wat God wilde…. Rijkdom en armoede, ziekte en gezondheid, hongersnood en overvloed, ze kwamen uit Gods hand…. 

En de mens dan? Nu, die riep door zijn gedrag, individueel en samen, goed of kwaad over zich af. Geloven, denken, weten, ze vielen samen en maakten het leven in zekere zin beheersbaar en duidelijk. Goed en kwaad, ze kwamen beide uit Gods hand, als beloning of straf.

Maar dat geloven, denken, weten veranderde, langzaam maar gestaag. Mensen keken om zich heen en gebruikten hun verstand. Ze zochten naar het  verband tussen dingen, naar oorzaak en gevolg. Ze leerden hoe ze zich konden wapenen tegen de grillen van de natuur. Ze ontdekten hoe ze vuur konden maken en gebruiken, water en voedsel konden bewaren, de geneeskracht van kruiden, ze maakten werktuigen en wapens…. 

De kennis van de mens groeide. Het gebruik van het verstand bleek lonend.

En God? God werd discutabel. We hadden God niet meer zo heel erg nodig, we konden het leven immers steeds beter zelf regelen en in stand houden, zelfs min of meer scheppen in een reageerbuis. De mens die zijn hoofd gebruikte, kennis verwierf, hij kon ook wel leven zonder God. God was hooguit nog nodig aan de rand van het leven, rond de geboorte, bij ernstige ziektes en onheil, bij het sterven. Zolang we daar nog niks tegen gevonden hebben.

Zo verdween God uit het leven van veel mensen. Tenminste, die God die als gaatjesvuller werd en wordt gezien. Maar gaat het daarom wanneer we geloven? Gaat het om een God als verklaringsmodel voor alles wat wij niet, nog niet, kunnen verklaren? Ontwaar ik in die god wel iets van de God van Abraham, Izaäk en Jakob, de bevrijdende God, de God die de mensen zo lief heeft dat Hij zijn Zoon naar de wereld stuurde, die genadige God? 

Bevrijdend? Liefde? Genade? Zeg dat maar niet tegen Abram. Die zet daar vraagtekens bij. Om het maar duidelijk te stellen: zijn God blijft in gebreke.

Abram is weggegaan uit zijn land, uit zijn familie, op de roep van die vreemde God. Die God die hem een nageslacht belooft zo talrijk als de sterren aan de hemel.

Nu is hij oud geworden en zijn armen zijn leeg gebleven. In zijn tent stapten geen kleine voetjes, er klonk nooit een stemmetje dat ‘papa’ zei, er is geen kind geboren. Bij zijn dood houdt het op. Alles wat hij bezit en verwacht zal overgaan op Eliёzer uit Damascus.…. Dan klinkt opnieuw de belofte dat God hem een eigen zoon zal geven…. Abram zal moeten leven van de belofte. Leven vanuit het geloof dat de belofte in vervulling zal gaan al is dat redelijkerwijs gesproken niet meer mogelijk. Een belofte die dwars tegen elk menselijk begrijpen ingaat, dwars tegen wat bij mensen mogelijk is.

Is dat de God van Abram? Een God van het ongerijmde, van wat buiten het gewone omgaat, van het wonder? Wanneer ik God zo zie botsen mijn denken en mijn geloven. Mijn verstand zegt mij met Abram dat er dingen zijn die niet kunnen, mijn geloof houdt mij, met Abram, voor dat alles mogelijk is bij God. Geloof en denken botsen bij mij zoals ze dat zo vaak ook doen en deden in onze kerken. De kerken waren, of zijn, zacht gezegd, niet altijd gecharmeerd van mensen die hun eigen hoofd gebruiken. Er was, of is, geen ruimte voor een denken dat vragen stelt bij het geloof, dat kan wegleiden van het vertrouwde geloven.

Het vertrouwde geloven. Dat kan een geloof zijn dat Gods woord letterlijk neemt van kaft tot kaft, hoewel er natuurlijk wel geselecteerd wordt en elke vertaling berust op een keuze… Dat kan een geloof zijn dat gefundeerd wordt in dogma’s, onderbouwd met bij elkaar gezochte teksten: de vrouw kan geen priester zijn, de man is het hoofd van het gezin zoals Christus, slavernij was toegestaan…. Het kan een geloof zijn dat zwelgt in emoties, in vervoering, waarin mensen zichzelf verliezen, tot alles in staat zijn in opdracht van hun geloof. Het kan een geloof zijn dat zichzelf als het enige ware, het enige toegelaten geloof ziet en al het andere als bijgeloof, afgodendienst, wat aangepakt moet worden met woorden, uitgeroeid met daden, zelfs tot aan de dood toe. Het vertrouwde geloof heeft het vaak moeilijk wanneer mensen zelfstandig denken, vragen stellen bij de traditie, het geloof willen vertalen naar hun eigen tijd….We zien het bij joden, christenen, moslims…

We zien angst wanneer het vertrouwde ter discussie wordt gesteld. Angst voor verlies van macht, positie, angst voor verlies van het leven na de dood omdat dat leven gekoppeld is aan het vasthouden aan dogma’s, aan de traditionele uitleg van Gods woord. Denken kan een mens inderdaad losmaken van het vertrouwde geloof, vragen kunnen inderdaad vaste zekerheden ondermijnen. En dat is eng.

Maar denken kan ook een nieuwe ruimte scheppen. Het verstand kan de kern van het geloof opnieuw ontdekken, onder de aanslibsels van eeuwen, onder een vastgeroeste traditie, onder een uitleg die is versteend tot een fossiel.

Het denken kan het geloof bij de eigen tijd brengen, waar andere vragen spelen, andere problemen om een oplossing vragen. Het denken kan het geloof verrijken, zeker. Het denken kan het geloof verrijken. Dan komt wel de vraag naar wat ik dan geloof. Waar gaat het om in mijn geloof. Wat is de kern waar ik aan vasthoud?

De kern van mijn geloof, terug te lezen in de oude woorden, in Gods eigen woord.

In de tien woorden, gegeven om leven met God en de naaste mogelijk te maken. In de woorden van Jezus: God liefhebben boven alles, de naaste als jezelf, want je naaste is een mens als jij. In het weten dat er in het geloof dingen kunnen gebeuren die het denken niet kan bevatten, dat ons denken beperkt is.

Geloof en rede, denken en geloven… Waarom niet gewoon samen? Elkaar verrijkend, elkaar bevragend… Waarbij ons geloof in de God van recht en gerechtigheid, van liefde voor de naaste, ons in beweging zet om iets zichtbaar te maken van Gods rijk.

Waarbij het denken ons kan aansporen om goed te kijken naar wat we doen. Of het werkelijk om Gods rijk gaat, er geen verborgen valkuilen achter ons gelovig doen schuilgaan….

Ik denk en geloof dat rede en geloof daartoe geworteld zouden moeten zijn in verwondering. Verwondering voor het wonder van de schepping, voor de gave van de levensadem, voor het unieke en onherhaalbare van alles wat leeft. Verwondering als levenshouding zet aan tot verantwoorde omgang met het leven op aarde. Dan kun je niet anders.  

AMEN

<Klik HIER voor download in pdf>

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *