Viering 7 februari 2026: Wij willen een koning (viering wordt gestreamd)

Datum/Tijd
Datum - 07/02/2026
18:30 - 19:30

Locatie
Johanneskerk

Categorieën


Voorganger: Alex van Heusden


Wij lezen oude, wereldkundige verhalen om ons aan te spiegelen. Ze zijn geschreven door ‘ervaringsdeskundigen’ en overgeleverd door hun ijverige leerlingen. Ze zijn behouden gebleven tot op vandaag, omdat ze kostbare lessen bevatten over wat het betekent een mens te zijn op aarde. Geen idylle, geen rimpelloze pastorale, maar honger, armoe, vernedering, onderwerping, oorlog, bloedvergieten. Voor heel veel mensen op deze aarde is dat hun leven. En nu, in deze moeilijke, onoverzichtelijke tijd, voor heel veel mensen meer nog. Waar gaat het heen? Wat zal er ook op ons afkomen, hier in Europa, in dit land? We weten het niet. Soms vrezen we het ergste. Miljarden extra worden geïnvesteerd in bewapening. Een nieuwe wapenwedloop staat op de drempel. Alsof oorlog onvermijdelijk is. Daar worden we op voorbereid, met noodpakketten en al. Hoor al die generaals in de talkshows. Bitter weinig stemmen spreken zich daartegen uit. Kritische kanttekeningen, ze worden nauwelijks geplaatst. Wat blijft er nog over van het zogeheten vredesdividend? En, volgende vraag, hierbij aansluitend: hoe maken we een einde aan de vicieuze, dodelijke cirkel van oorlog na oorlog? In de geschiedenis van mensen is een warme onderstroom aanwezig van verzet tegen oorlogsgeweld en het afzweren van wapens. Die moge ons inspireren, mismoedigheid tegengaan en onze geestelijke weerbaarheid versterken.

Je zou het de erfzonde van de geschiedenis kunnen noemen die de bijbel ons voorspiegelt. Veroveringsdrift, grijpen wat je grijpen kunt, heerszucht – ‘Wille zur Macht’ – wil om te onderwerpen en daartoe geweld aanwenden – dit al te menselijke trekt aan ons geestesoog voorbij, als wij die oude verhalen lezen. De totale verloedering van een samenleving. Hoe een bevrijdingsbeweging, een emancipatieproject stukloopt en verloren gaat.

 

‘In die dagen was er geen koning in Israël…’ (Rechters 17:6; 18:1; 19:1; 21:25). Zo luidt het refrein van het boek Richteren of Rechters, dat aan de boeken Samuël voorafgaat. En twee keer volgt op dat refrein: ‘Ieder deed wat recht was in zijn ogen’ (Rechters 17:6; 21:25). Zo luidt de diagnose: wat kwaad genoemd moet worden, is recht in de ogen van de mensen. ‘Recht’ wil hier zeggen: wat ik doe, wat wij doen, volstrekt willekeurig, zoals het ons uitkomt, dat is juist, is terecht.

Als er geen koning is, gaat het aldus, van kwaad tot erger: is dat wat het boek Rechters ons voorhoudt? Zo ja, dan zou het dus goed moeten gaan, als er wel een koning is. Maar is dat wel zo. Rechter, koning – wat is het verschil? Of je nu door de spreekwoordelijke hond of door de even spreekwoordelijke kat gebeten wordt.

 

Samuël neemt het bewind over, als rechter en profeet, in Rama, zijn stad. Dat gaat een tijd redelijk goed, maar eenmaal oud geworden, tijd om met pensioen te gaan, overspeelt hij zijn hand: hij wil zijn twee zonen benoemen tot rechters voor Israël en zo een erfelijk ambt instellen, een dynastie. Over die twee zonen staat geschreven: ‘Zij gingen niet in zijn wegen, zij bogen voor het gewin, zij namen steekpenningen aan en bogen het recht.’

Zo gaat het opnieuw van kwaad tot erger. En dat is aanleiding geweest voor de oudsten van Israël om gezamenlijk op te trekken naar Samuël in Rama. Maar wat ze van hem vragen? Uitgerekend om een koning: ‘Stel voor ons een koning aan als rechter over ons, zoals alle volkeren hebben.’ Die zal met vaste hand orde op zaken stellen, het uiteengeslagen volk tot een eenheid smeden, het richten en sturen.

Een koning dus, ‘zoals alle volkeren hebben.’ Ze willen normaal zijn, niet uit de pas lopen, zich niet onderscheiden. Normaliteit is wat ze willen. ‘Doe even normaal, man.’ En wat is normaliteit? Een land, een staat met een koning aan het hoofd. Maar dat is wat ze nu net niet moeten willen. Niet het Hollandse ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’ Méér dan het gewone moet je nastreven, want, aldus die oude verhalen, daar ben je mens voor, dat is je opdracht.

 

Wil je een samenleving waarin recht wordt gedaan, ook en juist aan mensen die leven aan de onderkant? Dan moet je geen koning hebben – een koning geeft aan het woord ‘recht’ en ‘rechtsorde’ een eigen invulling en die ligt besloten in het werkwoord ‘nemen’. Een koning gééft niet, hij deelt geen genade uit, toont geen mededogen – een koning ‘neemt’. Wat brengt hij tot stand? Een samenleving en een economie die hem alleen ten dienste staan; een samenleving in staat van oorlog; een slavenhuis.

Ze krijgen wat ze willen. Wat is dat toch – dat wij mensen zo dikwijls het slechte als het hoogst haalbare koesteren? De Heidelbergse Catechismus legde zich er ook al bij neer, dat wij ‘niet in staat zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’.

Het oude verhaal houdt ons een spiegel voor. Welk recht wil je vestigen? Het recht van de sterkste? Dat is het recht van de normaliteit, ook vandaag nog, maar daarmee wordt een moeizaam opgebouwde rechtsorde, met al haar doorgaans halfslachtige pogingen om via wetgeving, ook op internationaal niveau, geweld en oorlog aan banden te leggen, en meer economische kansen te scheppen voor meer mensen wereldwijd, naar de rand van de afgrond gedreven.

Zoals historicus Ewoud Kieft het formuleerde: ‘De rechtsstaat is, net als de democratie, een uitdrukking van onze waarden. Als wij niet op die waarden blijven aandringen, zullen ze verdwijnen. Het is niet de rechtsstaat die hun voortbestaan garandeert, we zijn het zelf.’

 

Maar o wee, intussen hebben ze de wereld in hun greep, de titanen en giganten, ze vestigen het recht van de sterkste op aarde. Ze gaan letterlijk over lijken, met een grenzeloos egocentrisme en niet te stuiten hoogmoed. We kennen hun namen. Ook die van de hedendaagse Tech-giganten die alles naar zich toe trekken en eropuit zijn democratische samenlevingen te infiltreren en om zeep te helpen.

Hier is de menselijke maat ver te zoeken. Mensen doen er niet toe. Al die oude en nieuwe wereldrijken, de supermogendheden, schieten schromelijk tekort als het gaat om menselijkheid. Ze hebben geen weet van mededogen en onderlinge solidariteit. Het interesseert ze niets hoe mensen kapot gaan, ze horen niet hun schreeuwen uit de diepte om recht en waardigheid, ze weten niet wat nodig is om deze wereld voor de toekomst te behouden.

 

Wereldrijken komen en gaan. Opeenvolgende generaties van het oude Juda waren daar getuigen van. Het grote Babylonische Rijk maakte een einde aan Juda en voerde de bovenlaag van het volk, inclusief koning Jehojakiem, weg in ballingschap. ‘Aan de stromen van Babel zaten wij neer en wij weenden om de gedachte aan Zion.’ Daarna kwamen de Meden en de Perzen, met hun wet van Meden en Perzen, daarna het hellenistische rijk, bijeen veroverd door Alexander de Grote, toen ook nog de Romeinen. Enzovoort enzovoort. Ze komen en gaan – maar verdwijnen ze ooit, voorgoed, zulke rijken, gebouwd op machtspolitiek en wreedheid? Wie zal het zeggen, we weten het niet.

Er zijn er nu drie: Amerika, Rusland en China. India zit op het vinkentouw. Amerika wordt geleid door een vastgoedmagnaat die zich schuldig maakt aan schaamteloze graaipolitiek, of het nu gaat om Gaza, Groenland, Venezuela of Oekraïne. En Europa aarzelt en aarzelt om het heft in eigen hand te nemen, om los te komen van ‘daddy’, om eindelijk volwassen te worden. Dat zal niet meevallen, met zoveel verdeeldheid, met in verschillende landen een bruinrechts nationalisme, met vreemdelingenhaat, islamofobie en antisemitisme.

 

En wij, nu hier, op kleine schaal, in onze eigen leefwereld, maar niet doof en blind voor wat er gaande is, die de tijden proberen te lezen – wat doen wij, wat kunnen wij? Wij mensen. Hoe treffen we ons aan, in dit tijdsgewricht? Cynisch, gelaten? Ongerust, angstig? Geneigd het bijltje erbij neer te gooien misschien wel? Of toch maar gaan, niet gebogen, maar rechtop, met kleur op de wangen, open en ontvankelijk. Dicht bij mensen blijven. Al is het maar door gehoor te geven aan de stem, het spreken, de noodkreet van een andere mens die jou roept, die jou nodig heeft. Daartoe bewogen worden. Die mens herkennen als je naaste. En de naaste worden van die mens.

 

Verzet is geboden. De bijbel is een boek van verzet. Dat kan niet genoeg worden onderstreept. En we zien ook verzet in onze dagen. Hoe in Minneapolis de mensen de straat op gaan tegen de niets ontziende deportaties van immigranten – de terreur van ICE. Dat is een vorm van verzet – tegen de dictatuur die vanuit het Witte Huis een giftige damp verspreidt over het land.

Waarmee begint verzet? Verzet begint met een vraag. Zoals Remco Campert dichtte:

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in zijn kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die een sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets wat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

Zo moge het zijn.


Zegen

Dat we elkaar zegenen met onrust
over gemakkelijke antwoorden en halve waarheden.
Dat we elkaar zegenen met woede
over onrecht, onderdrukking en uitbuiting.
Dat we elkaar zegenen met tranen
voor hen die lijden.

En dat we elkaar zegenen
met genoeg dwaasheid om te geloven
dat we een verschil kunnen maken in deze wereld.

Dat we op weg worden gezet –
om verzet in vredesnaam.