Viering 6 december 2025
Datum/Tijd
Datum - 06/12/2025
18:30 - 19:30
Locatie
Johanneskerk
Categorieën
Voorganger: Daan Savert
Lieve mensen, broeders en zusters,
Ik zat na te denken over een mooie titel voor deze overweging. Iets als ‘delegeren kun je leren’. Of: ‘Bijbelse lessen in leiderschap’. Of: ‘Van je schoonvader moet je het hebben.’ Want dat is wat er gebeurt: Mozes, de sterke leider van het volk Israël, wordt tot de orde geroepen door zijn schoonvader. Zijn schoonvader die hem zegt: ‘Jongen, je moet de zaken anders gaan aanpakken. Je moet leren delegeren. Je kunt niet alles zelf doen’.
De grote les lijkt dan ook te zijn vandaag: je kunt het niet alleen. Waarschijnlijk wisten we dat al. Dat is nogal een open deur. Helemaal aan het begin, als je geboren wordt, kun je nog helemaal niks en ben je compleet afhankelijk van je ouders en je verzorgers. En aan het einde, als je oud bent, word je opnieuw afhankelijk van de zorg van anderen. En daar tussenin, tussen dat begin en het einde, zit eigenlijk maar een heel klein gedeelte – in het licht van de eeuwigheid stelt het niets voor – waarin we het een heel klein beetje zelf kunnen. En zelfs daar hebben we geen garantie op. Je kunt het niet alleen. We weten het, maar toch moeten we het eens in de zoveel tijd weer eens horen. Misschien wel hier in deze ruimte. We hebben elkaar nodig. We hebben God nodig. Je kunt het niet alleen. En dat hoeft ook niet.
Voor sommigen is het moeilijker dan voor anderen, om te accepteren dat ze het niet alleen kunnen. Sommige mensen vinden het nou eenmaal prettig om de verantwoordelijkheid te nemen, omdat ze bang zijn het werk uit handen te geven, misschien omdat ze niet zo goed weten wat ze moeten of wie ze zijn, als ze niet de leiding hebben. En voor de anderen is dat niet altijd erg. Het kan best fijn zijn als je weet wie er de leiding heeft, wie er in staat is goede besluiten te nemen. We zijn allemaal anders. We hebben allemaal onze talenten en onze beperkingen. Sommige mensen zijn nou eenmaal beter in staat om de leiding te nemen dan anderen. En zolang die mensen het goede voor hebben met de mensen over wie zij de leiding hebben, dan is er niets aan de hand. Zou je denken.
Er wordt weleens gezegd dat iemand een ‘geboren leider’ is. Maar is dat zo? Word je als leider geboren of word je zo, in de loop van je leven, gemaakt en gevormd?
In de Bijbel is Mozes misschien wel het prototype van een leider. En toch is hij daar niet per se voor in de wieg gelegd. Tenminste, zelf vindt hij van niet. In het derde hoofdstuk van Exodus krijgt Mozes van God de opdracht: “Jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.” En Mozes staat hier niet om te springen: “Wie ben ik?”, vraagt hij. Er moet heel wat op hem ingepraat worden, voordat hij het aandurft.
Vandaag zijn we een paar hoofdstukken verder, en Mozes is inmiddels uitgegroeid tot een leider, en wat voor één? Hij had het zelf ook niet voor mogelijk gehouden, maar het is gebeurd. Hij heeft het volk Israël uit Egypte uit slavernij weggeleid. Hij staat aan het hoofd. Daarbij heeft hij ook nog eens een lijntje met God dat de rest niet heeft. God spreekt rechtstreeks tot Mozes. Dat is niet voor iedereen weggelegd.
En het verhaal van vandaag begint met Jitro, de schoonvader van Mozes, die zelf bij een ander volk hoorde. Jitro had gehoord wat er allemaal was gebeurd, en wilde zelf ook weleens komen kijken, bij Mozes en bij zijn volk. En hij neemt ook Zippora mee, zijn dochter, de vrouw van Mozes. Over haar, over Zippora staat, er dit in een bijzinnetje: ‘die hij terug had gestuurd. Hmm. Interessant. Een bijzinnetje waar je bijna overheen zou lezen. Mozes is nogal druk geweest met zijn verantwoordelijkheden als leider, hij had dat hele volk op sleeptouw, maar zijn eigen vrouw had hij ‘teruggestuurd’. En nu, in het verhaal van vandaag, staan daar ineens voor de neus van Mozes, zijn schoonvader, en zijn vrouw, en ook zijn twee zonen. En de schoonvader zegt: ‘Ik, je schoonvader Jitro, ben aar jou toegekomen, en ook je vrouw met haar twee zonen’ Háár twee zonen. Als ik dit zo lees, dan vraag ik me een beetje af hoe de familiedynamiek in elkaar zat. De vrouw was ‘teruggestuurd’, en de schoonvader heeft het over ‘haar zonen’. Zonen, die ook zijn zonen waren, zonen van Mozes, maar misschien, doordat Mozes zo op was gegaan in zijn taken, vooral van haar waren geworden.
Ik kan mij voorstellen dat deze onverwachtse ontmoeting een beetje pijnlijk en ongemakkelijk was. Daar komt nog bij dat Mozes een bijzondere geschiedenis had met deze Jitro. Niet alleen omdat hij zijn schoonvader was, maar ook omdat Mozes min of meer door hem in bescherming was genomen, toen hij jaren geleden uit Egypte was gevlucht. Mozes was gaan zorgen voor de schapen en geiten van Jitro, en toen, in die periode kreeg hij het visioen – het visioen, bij die brandende braamstruik, waarin hem duidelijk werd dat hij een belangrijke roeping had, en een leider moest worden van het volk Israël. De enorme carrière-boost voor Mozes – van schaapsherder tot volksleider – betekende voor Jitro dat hij een belangrijke hulp was kwijtgeraakt. Waar de schoonzoon Mozes spectaculaire verschijnselen zag, en wonderen meemaakte, daar bleef de schoonvader achter met de kudde. En inmiddels ook met vrouw en kinderen.
Wat zou Jitro precies gedacht hebben van alles wat er was gebeurd, van al die spectaculaire verhalen over Mozes en zijn volk? En wat zou er, naast wat we in de tekst kunnen lezen, nog meer door hem heen zijn gegaan? Ik kan me voorstellen dat hij wat gemengde gevoelens had bij de roeping van zijn schoonzoon, die druk was met zijn missie, maar ondertussen de kudde, vrouw en kinderen enigszins op de achtergrond had gezet. Ik kan me voorstellen dat er wat bitterheid en pijn was bij Jitro. Maar Jitro komt bij Mozes langs, en hij doet dat niet om gelijk te krijgen, ruzie te maken of zijn gram te halen. Nee, de ontmoeting tussen Mozes en Jitro is warm, Mozes buigt zich voor hem neer en kust hem.
En dan begint Mozes leeg te lopen. Hij vertelt hoe hij en het volk door Gods hulp weg zijn getrokken uit Egypte, weg uit slavernij, hij vertelt wat er onderweg allemaal gebeurd is, wat ze allemaal doorstaan hebben, hoe ze zo ver zijn gekomen. En Jitro reageert blij. Hij had vanuit bitterheid en pijn kunnen reageren, kunnen balen van hoe alles gelopen was, maar hij stelt zich open voor wat Mozes vertelt, en reageert blij. ‘gezegend de Ene!-
die jullie uit de hand van Egypte heeft gered, uit de hand van Farao.’ Nu Jitro naar Mozes geluisterd heeft, het verhaal heeft aangehoord, en gezien heeft hoe het volk eraan toe is, ziet Jitro in: God is een God van bevrijding, God wil het goede voor zijn mensen, en wie ben ik om dat in de weg te zitten.
Maar de volgende dag verandert de sfeer. Jetro ziet hoe de werkdag van Mozes eruitziet. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat verzamelen de mensen zich om Mozes heen, en Mozes is de hele dag bezig met het nemen van besluiten. En dan knapt er iets bij Jitro: dit kan zo niet! Het enthousiasme dat hij eerst had, verandert in bezorgdheid. En ik denk dat het een uit het ander volgt. Jitro heeft de dag ervoor gezien dat God een God van bevrijding is, dat God de mensen wil redden uit slavernij. En – zo moet hij gedacht hebben – als dat zo is, als God een God is van bevrijding, dan kun je niet leidinggeven zoals Mozes dat doet. Dat past daar niet bij. Het is alsof Jitro wil zeggen: ‘Mozes, dit heeft niets meer met bevrijding te maken. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, moet je al die mensen te woord staan. Dat hou je nooit vol!’ Maar Jitro zegt niet: ‘Mozes, stop er toch mee, kom toch weer rustig zorgen voor mijn schapen en geiten.’ Hij komt niet met persoonlijke verwijten. Nee, hij begint met nieuwsgierigheid: ‘waarom is het is dat jij zo doet voor het volk?’ ‘Waarom ga je op deze manier te werk?
En het antwoord van Mozes is veelzeggend: ‘Het volk komt naar mij toe om God te raadplegen.’ Het antwoord van Mozes begint niet bij wat hij denkt dat goed is, en ook niet bij wat God wil, maar bij ‘het volk’.. Zij komen naar mij toe. Wat voor leider is Mozes? Is hij een ‘geboren leider’? Of is hij een leider geworden? En is hij, hoe langer hoe meer, een leider geworden die afhankelijk is van het volk. Het volk dat iets van hem wil. In Mozes herkennen we misschien wel iets van leiders in onze wereld, die zeggen: ‘Dit is wat het volk vraagt!’ Maar wie is hét volk?
Jitro neemt geen genoegen met het antwoord van Mozes. Hij zegt: ‘
| Zoals jij het nu doet, is het niet goed!
Je zult eraan bezwijken, jij en dit volk hier bij jou. dit is te zwaar voor jou, dit kun je niet alleen. |
‘Het is niet goed’.In de Tora, de eerste vijf boeken van de Bijbel, is er maar één andere plek waar dat ook staat: ‘niet goed’. En dat is helemaal aan het begin, in het tweede hoofdstuk. God maakt de mens, en zegt: ‘het is niet goed dat de mens alleen is’. Via zijn schoonvader wordt Mozes eraan herinnerd dat hij een mens is. Hij wordt herinnerd aan zijn allereerste roeping. Of je nou een leider bent, iemand uit het volk, of iemand van een ander volk – je kunt het niet alleen, en je bent gemaakt om met anderen te zijn. Je bent een mens.
En we kunnen het ons voorstellen. Mozes neemt veel te veel hooi op zijn vork, en dat gaat een keer fout. Vroeg of laat krijgt hij een burn-out, zouden we vandaag zeggen. Maar dat is niet alles. Jitro zegt niet alleen tegen Mozes ‘jíj zult eronder bezwijken’. Hij zegt het ook over de mensen die bij Mozes komen: ‘ook zij zullen eronder bezwijken.’ Hij raadt Mozes aan zijn taken te delegeren, niet alleen omdat het beter is voor Mozes, maar ook omdat het beter is voor de anderen.
Mozes beweert dat hij moest doen wat hij deed, omdat ‘het volk’ dat zo wilde. En Jitro ziet het anders. Je kunt denken dat dit is wat de mensen van je willen, en misschien denken de mensen het zelf ook wel. Maar uiteindelijk zal het voor iedereen beter zijn, als je de taken gaat verdelen, en niet alles zelf doet. We zien dit vaak gebeuren. In groepen, organisaties, in families, of op het werk – iemand die de leiding ooit gehad heeft, die blijft de leiding krijgen. Soms is het niet duidelijk of diegene de leiding neemt of krijgt. Je went eraan, en je praat er niet meer over. Zo gaat het, zo willen we het. Totdat je er een keer wél over praat, en blijkt dat het tijd wordt om dingen anders aan pakken. Omdat mensen niet gehoord worden. Omdat stemmen verloren raken. Misschien wel omdat en de leider, en degene over wie die de leiding heeft, niet meer blij zijn met de situatie. Omdat ideaal waarmee het ooit begon, de vrijheid waar je ooit naar streefde, volledig verloren is gegaan.
Waar herkennen wij ons in dit verhaal? Misschien voelen we ons wel als Mozes, die eigenlijk te veel hooi op zijn vork neemt, en overloopt van het werk. Misschien herkennen we ons in in ‘het volk’ – ‘het volk’ dat het eigenlijk fijn vindt dat er iemand is die besluiten neemt, dat er een sterke leider is. Maar misschien herken je ook iets van Jitro, van Zippora, misschien heb je het gevoel dat je vergeten wordt, dat je niet door het volk of door de leider gehoord wordt, en weet je dat het anders moet. Het kan spannend zijn om dan iets te zeggen, net zoals het spannend kan zijn om je taken los te laten. Maar dit verhaal moedigt je aan om het te doen! Omdat je er meer mens van wordt. Omdat je een mens bent, en als mens anderen nodig hebt, en je het niet alleen kunt.
Je kunt het niet alleen. We hebben elkaar nodig. We hebben God nodig.
En misschien moeten we, tot slot, nog een stapje verdergaan. Misschien moeten we ook zeggen dat zélfs God het niet alleen kan, dat God ons nodig heeft. God sprak rechtstreeks tot Mozes. Maar waarom kon God dan niet meteen tegen Mozes kunnen zeggen dat hij zijn taken moest delegeren?
Kennelijk kon die boodschap alleen doodringen bij Mozes, via zijn schoonvader Jitro. En Jitro zegt niet zegt: ‘God wil het anders’ of ‘God heeft gezegd dat het zo niet mag’. Nee, Jitro staat daar, samen met de vrouw en de kinderen, hij heeft eens goed om zich heen gekeken, hij kijkt dan Mozes in de ogen en zegt: ‘Dit moet anders zo’. Hier klinkt niet de stem van het volk, niet een wet, of een stem uit de hemel, maar een ontmoeting – menselijker kan het niet.
Het is mijn hoop dat dit ook voor ons zo mag zijn. Dat we leren ‘mens te zijn’, dat we leren dat we de ander nodig hebben, dat we leren los te laten en ons over te geven aan elkaar en aan God. We kunnen het niet alleen.

